Theorie

Wanneer we proberen uit te leggen wat Wing Chun nu precies is, is de neiging vooral om ons te richten op de uiterlijke kenmerken van het Wing Chun systeem: het is een vechtkunst, die gekenmerkt wordt door directe, efficiënte bewegingen (vooral op korte afstand), veel handtechnieken en vooral lage trappen waarbij aanval en verdediging gecombineerd worden. Ook proberen we te beschrijven waartoe het Wing Chun ons in staat kan stellen: het overkomen van de kracht van een grotere en/of sterkere tegenstander, door zijn kracht tegen hem te gebruiken. Zoals volgens de legende Yim Wing Chun haar mannelijke belager heeft kunnen overwinnen.

Bovenstaande is allemaal waar, uiteraard, maar geeft nog steeds geen antwoord op de vraag: “Wat maakt het Wing Chun anders dan andere stijlen/Martial Arts?”. Veel karate stijlen maken bijvoorbeeld ook gebruik van korte, directe bewegingen, combineren ook aanval en verdediging tegelijkertijd. Stijlen als Goju-ryu maken ook veel gebruik van lage trappen. Stijlen als Judo, Aikido en Jiu-Jitsu staan erom bekend dat zij de beoefenaar gebruik leren maken van de kracht van de tegenstander, waardoor een sterkere aanvaller verslagen kan worden.

Al deze kenmerken maken het Wing Chun dus niet uniek ten opzichte van andere stijlen. Door ons alleen hierop de richten doen we het systeem dan ook eigenlijk te kort. Wat het Wing Chun echt onderscheidt zijn de onderliggende principes (Kun Kut), die niet alleen de bewegingen vormen maar juist ook de interactie met de tegenstander en die daarmee het Wing Chun haar unieke identiteit geven.

Veel vechtkunsten en -sporten pretenderen een systeem te zijn, terwijl zij eigenlijk niet meer dan een verzameling van technieken zijn. De gebruikte/onderwezen technieken hebben in de loop van de jaren hun effectiviteit bewezen, of zijn door traditie aan de volgende generaties doorgegeven. Vaak is er in dergelijke kunsten niet echt sprake van een logische interne samenhang en daarmee is er meer sprake van een verzameling van technieken dan een systeem. Een systeem wordt daarentegen gekenmerkt door de onderlinge relaties die alle onderdelen met elkaar verbinden. En dat is juist hetgeen wat Wing Chun onderscheidt van vele andere vechtkunsten.

Zoals Wang Kiu het zag is het Wing Chun dan ook geen stijl maar een theorie. Een theorie over hoe een gevecht het beste benaderd kan worden. Deze theorie is opgebouwd door een aantal principes of stellingen, de zogenaamde Kun Kut. Vrij vertaald betekent dit ‘de principes van de vuist’ of ‘de principes van het boksen’.

Deze principes vormen het Wing Chun op alle niveaus:

  • technisch (hoe de beweging wordt uitgevoerd),
  • tactisch (hoe de beweging wordt toegepast) en
  • strategisch (hoe het gevecht wordt benaderd).

Daarnaast beïnvloeden de principes ook hoe het syteem het beste eigen gemaakt kan worden.  En hoewel deze principes de basis vormen voor het Wing Chun, kunnen deze ook op alle andere vechtkunsten worden toegepast om de bewegingen efficiënter en economischer te maken.

De beste metafoor om dit alles te illustreren is om het Wing Chun te vergelijken met een vreemde taal. De losse technieken zijn de woorden. Door woorden middels vaste regels aan elkaar te verbinden ontstaat een zin. Deze vaste regels binnen taal noemen we grammatica. Binnen Wing Chun kun je de principes vergelijken met grammatica.

Het aanleren van een taal begint met het opbouwen van een woordenschat. In het Wing Chun zijn dit de individuele technieken. Vervolgens leert men eenvoudige zinnen. Dit zijn standaardzinnen die veel voorkomen en in veel verschillende situaties worden gebruikt.  Hoewel het misschien niet helemaal duidelijk is voor de leerling hoe deze zin grammaticaal is opgebouwd, kan men zich hiermee wel in  veel praktische situaties redden. Deze standaard zinnen zijn de veel voorkomende combinaties van technieken binnen het Wing Chun. Uiteindelijk wordt de grammatica steeds meer eigen, waardoor men zelf zinnen kan maken. Men zit dus niet meer vast in aangeleerde combinaties, maar kan zelf improviseren naarmate de situatie dit verlangt.

Op het hoogste niveau heeft men een ‘taalgevoel’ ontwikkeld, de leerling spreekt de taal vloeiend en kan de grammatica  onbewust op hoog niveau toepassen. Dat betekent niet alleen dat de beoefenaar vloeiend is in zijn toepassingen, maar net als de dichter ook kan breken met de grammatica: de stijl wordt ‘poetry in motion’, naarmate de situatie verlangt. Of om Bruce Lee te citeren:

“Before I learned the art, a punch was just a punch, and a kick, just a kick.
After I learned the art, a punch was no longer a punch, a kick, no longer a kick.
Now that I understand the art, a punch is just a punch and a kick is just a kick.”

Het doel van het systeem is dus uiteindelijk om zelf te leren nadenken, niet om blind te vertrouwen op een leraar, maar om zelf de onderliggende logica te vinden en deze eigen te maken. Zoals het Chinese gezegde ons leert: “Geef een man een vis en voed hem voor een dag, leer hem vissen en voedt het voor het leven.”  De studie van het Wing Chun leert de beoefenaar dan ook ‘vissen’. Het streven is om autonoom te worden in plaats van afhankelijk. En om ook zelfs dit uiteindelijk weer los te laten wanneer we geleerd hebben wat we moeten leren, want net als bij iedere theorie staat  het Wing Chun in dienst van ons en niet vice versa.